Category

JIMspiratie

JIM Social - Facebook (1)

By | JIMspiratie | No Comments

De JIMtraining is bedoeld voor zorgprofessionals die willen werken met de JIMaanpak. Heb je een HBO-opleiding en ben je toe aan het werken met JIM? Meld je dan nu aan via info@jimwerkt.nl

Dag 1: 22 oktober
Dag 2: 26 november
Praktijkondersteuning 1: 13 december of 17 december
Praktijkondersteuning 2: 10 januari of 21 januari 
Praktijkondersteuning 3: 4 februari of 14 februari
Praktijkondersteuning 4: 7 maart of 12 maart
Dag 3: 26 maart JIMdiner!
Arnon_Grunberg_Frankfurter_Buchmesse_2016

De mentoren van Arnon Grunberg

By | JIMspiratie | No Comments

Win een gesigneerd exemplaar van het nieuwe boek van Arnon Grunberg

Beschrijf in een voetnoot (150 woorden) hoe de unieke band met jouw JIM je heeft geholpen een mooier mens te zijn. Arnon kiest de voetnoot uit die hem het meest aanspreekt en dat duo krijgt beide een gesigneerd exemplaar van ‘Goede mannen’. Inzendingen kun je versturen naar info@jimwerkt.nl tot en met 14 september.

De goede mannen én vrouwen rondom Arnon Grunberg

Vandaag verschijnt de nieuwe roman ‘Goede mannen’ van Arnon Grunberg. Het is een zoektocht naar de vraag of een (goed) mens onheil kan voorkomen. Een goed mens staat niet op zichzelf, maar wordt gevormd door de mensen om heen. Wie maakten de mens Arnon Grunberg en hielpen hem te zijn wie hij nu is? Een interview door Levi van Dam over zijn periode als school drop-out en de mentoren die voor hem belangrijk zijn.

Wist je altijd al dat je het voortgezet onderwijs niet zou afmaken?

 “Ergens wel. Als kind voelde ik al dat ik anders was dan andere kinderen en ik wilde heel graag ontsnappen aan het milieu in Amsterdam-Zuid. Mijn ouders hadden mijn pad al uitgestippeld: ik moest iets in de wetenschap gaan doen. Daardoor wist ik precies wat ik niet wilde: iets in de wetenschap. Op school kon ik prima meekomen, maar ik merkte ik dat ik goed was in andere dingen. En ik voelde mij ook gewoon beter dan de andere kinderen. Ik wilde zelf creëren.”

Hoe reageerden de docenten op jouw mededeling om te vertrekken?

“Toen ik als 16jarige besloot weg te gaan, was Meneer Kisch, de wiskundedocent, boos op mij. Ik was meestal snel klaar met zijn toetsen en schreef dan onderaan het antwoordblad een brief aan hem. Hij schreef altijd terug. Ik was vooral nieuwsgierig hoe hij al 20 jaar een en hetzelfde vak kon geven. In zijn brieven was hij eerlijk en openhartig, hij vond dan ook dat ik hem verried door van school te gaan. Terwijl het andersom was, hij mij had verraadden! Hij had mij niet gegeven wat ik nodig had. De hele school had mij verraadden door het bieden van onderwijs waar ik niks aan had. Ik moest daar weg, op zoek naar andere plekken in de stad. Andere mensen. Nieuwe ontmoetingen”.

En, wie heb je ontmoet in de stad?

“Rond mijn achttiende ontmoette ik de moeder van een Poolse jongen met wie ik optrad in een theatergezelschap. Zij is wat je kunt noemen mijn eerste JIM: Jolanta Zalewska. Zij was choreograaf en hielp mij met mijn houding en de choreografie in mijn theaterstukken. In het begin was ik bang voor haar. Zij belichaamde mijn zwakke plek. Dans. Beweging. Ik ging nooit naar dancings en disco’s. Ik kon dat niet, bewegen. En de muziek stond te hard om mijn wapen in te zetten: woorden. Ik had geleerd dat de clown uithangen mij bewondering opleverde, maar dat ging niet op bij dansgelegenheden met harde muziek. Daar voel ik mij ongemakkelijk. Dat was ook zo bij Jolanta, zij was streng in beweging, maar ze zag iets in mij. Ik weet niet wat, dat sprak zij niet uit en ik vroeg er niet naar, maar dat gevoel was heel sterk. Ik mocht mee met haar het nachtleven in. Ze was alcoholist en zat tot diep in de nacht in cafés in de Haarlemmerbuurt en voerde lange discussies met vrienden.”

Hoe was dat, om als jong broekie tussen die volwassen dronkaards te zitten?

“Ik vond het fantastische en deed driftig mee aan de discussies. Mijn revolutionaire gedachten kon ik uitten en ik werd serieus genomen. Het waren allemaal mensen van boven de veertig, vijftig, en ze luisterden naar mij, de jongen van nog geen twintig. Dat vond ik volstrekt normaal. Ik had originele invalshoeken. Ideeën die ertoe deden. Natuurlijk luisterden ze.”

Is Jolanta de centrale figuur voor jou in die tijd?

“Nee, dat is Ewa Mehl, een beeldkunstenares die ik via Jolanta heb leren kennen. Zij was echt emotioneel betrokken bij mij, op een dieper niveau dan Jolanta. Ewa was, net als Jolanta, een Poolse vrouw. Ze is waarschijnlijk Joods, ze is namelijk als vondeling gevonden langs de treinrails naar Warschau. Vermoedelijk is ze als baby uit een rijdende trein gegooid door haar ouders. Die heeft ze dan ook nooit gekend. Ze had een atelier in de Noorderstraat in Amsterdam en ik was in die tijd – rond mijn achttiende – zeker drie keer per week bij haar in het atelier. Eigenlijk denk ik dat ik er wel dagelijks was. Ik besprak met haar mijn teksten en mijn ideeën. Onze relatie was heel liefdevol. We hadden soms aanvaringen, maar ze begeleide mij altijd op Socratische wijze: ze stelde vragen en hield mij een spiegel voor. En ze was streng: als ik kunstenaar wilde worden moest ik niet zeuren, maar hard werken. Geluk maakt geen kunst was haar uitgangspunt. Daarin heeft ze gelijk.”

Waren er ook mannen die in die periode belangrijk zijn geweest voor jou?

“Zeker, Hans Dorff bijvoorbeeld, hij was mijn eerste baas. Ik had als 16-jarige gereageerd op een advertentie in de Volkskrant voor oproepkracht ‘administratief medewerker’ bij een designstudio. Als school drop-out, maar toch met 4 VWO op zak, leek mij dat nog wel haalbaar. In de kennismaking stelde hij vast dat ik een ‘positief ingesteld iemand was’. Dat sprak hem aan en zijn kijk op mij correspondeerde met wat ik zelf zag. De functie administratief medewerker was omvangrijk, ooit stuurde hij mij naar de Bijenkorf om er een lingerie setje te kopen voor zijn vriendin. Daar aangekomen was ik de maat vergeten, kon ik onverrichte zaken terug.”

Wat sprak je aan in het contact met hem?

“Hij nam mij serieus. Onze relatie was egalitair, ondanks het verschil in leeftijd en functie. En hij gaf mij verhalen: de werkplek was prachtig voor mij als ontkiemend schrijver. De romantypetjes liepen er rond in levenden lijve. Een van de collega’s was alcoholist en had zijn flesjes whisky verstopt onder de dagelijkse krant. Iedereen wist dat, en toch werd het bedekt.”

Herinner je ook spanningen in deze relaties?

“Dat was vooral met Ewa, de band met haar was ook emotioneler. Zij was bijvoorbeeld jaloers toen ik mijn eerste vriendinnetje kreeg. Ze moest mijn aandacht delen met iemand anders en dat vond ze niet leuk. Op de boeklancering van ‘Blauwe maandagen’ kwam zij dan ook aanzetten met zwarte rozen.”

Ben je ooit weleens bang geweest dat een van deze mensen het contact met jou misschien zou opzeggen?

“Nee, met hen niet, maar wel met Jan Ritsema. Hij is de enige met wie ik mij een serieuze aanvaring herinner. Ik werkte toen op zijn bureau en deed de drukpers. Je legt dan letter voor letter de tekst in een pers om deze vervolgens af te drukken. Op een dag moest ik een theatertekst drukken, maar ik zag direct dat die tekst beter kon. Ik paste zinsconstructies aan, voegde woorden toe, maakte het geheel krachtiger. Niet lang daarna sprak ik een ziedende Jan. Hoe ik het in mijn hoofd haalde om aan die teksten te komen? De theatermakers waren woest en alles moest nu overnieuw. Ik was het niet met hem eens, ik had de teksten verbeterd, ik had ze geholpen! Maar had ik hem nodig, dus ik paste ik mij aan.”

Hoe belangrijk was het contact met deze mensen voor jou destijds?

“Jolanta en Ewa gaven mij vooral emotionele steun, dat had ik ontzettend nodig. Thuis kreeg ik dat niet. Met Hans en Jan zat de waarde in het contact dat het gelijkwaardig was. Het belangrijkste is wel dat ik bij alle vier merkte dat zij iets in mij zagen, ze namen mij serieus en hadden mij lief om wie ik was.”

Hoe heb je ze daarvoor bedankt?

“Niet. Na het succes van Blauwe maandagen ben ik plotsklaps uit Amsterdam vertrokken, naar New York. Dat hebben Eva en Jolanta mij kwalijk genomen. Ik vond echter dat het klaar was. Ik had gedaan wat we hadden afgesproken. Ik was succesvol geworden en doorgebroken en zij mochten daarbij zijn. Zij hadden van dichtbij mijn energie mogen ervaren, ik had hen energie gegeven. En nu moest ik verder. Ik was hen voorbijgegaan en zij konden mij niet langer bieden wat ik nodig had voor een volgende stap. Ik wilde door en kon niet op hun niveau blijven hangen.”

Het zijn allemaal mensen buiten de familie en vriendenkring, waarom?

“Omdat ik uit het milieu van mijn ouders wilde stappen. Ik wilde weg. Mensen uit de vriendenkring van mijn ouders inspireerden mij simpelweg niet en zij konden mij niet geven wat ik nodig had.”

Hoe stonden je ouders tegenover het contact met deze mensen?

“Die wisten er niet zo veel van. Ze wisten natuurlijk wel dat het er was en dat ik veel bij hen was, maar over de inhoud vertelde ik niet veel. Mijn moeder was sowieso te jaloers ingesteld, het contact met Ewa en Jolanta had zij toen zeker als een bedreiging gezien. En hun werelden lagen te ver uit elkaar, precies zoals ik bedoeld had.

Heb je nog contact met deze mensen?

“Jolanta is als alcoholist gestorven, gevonden in een gracht. Aan Ewa heb ik mijn 2e boek opgedragen. Zij is inmiddels ook overleden, net als Hans, die nooit de dichter is geworden die hij droomde te zijn.”

Ben je door hun overlijden anders naar hen gaan kijken?

“Ze zijn denk ik waardevoller geworden, ik leef meer met ze zou je kunnen zeggen. Maar ik heb geen spijt van hoe ik mij destijds van hen heb losgerukt. Ik heb ze energie gegeven en ik moest verder, op zoek naar nieuwe plekken en mensen die mij verder konden brengen. Jan is trouwens de enige die nog leeft, met hem heb ik nog steeds contact. Je zou kunnen zeggen dat ik hem nog steeds nodig heb.”

Zie jij jezelf als mentor voor anderen?

“Nee. Eerlijk gezegd kan ik er de energie niet voor opbrengen, die energie heb ik zelf nodig. Voor mijn projecten, voor mijn schrijven. Natuurlijk help ik mensen. Ik vind mijzelf over het algemeen heel erg benaderbaar. Ik reageer altijd op mails of verzoeken en probeer mensen ook verder te helpen. Het project in het Stedelijk Museum in Amsterdam met vluchtelingen bijvoorbeeld. Ik kan niet alle vluchtelingen helpen, maar toen ik diverse vluchtelingen sprak, bedacht ik dat ik ze misschien wel verder kan helpen. Ik kan ze helpen door ze aan elkaar te verbinden, door ze mensen te leren kennen die voor hen onbereikbaar zijn, maar via mij bereikbaar worden. Maar als het contact met iemand te lang duurt, kan ik er niet goed mee uit de voeten. Dan beknelt het mij, alsof diegene van mij afhankelijk wordt.”

Is er echt niet een iemand met wie je een bijzonder band hebt, op wie je extra gesteld bent?

“Mijn relatie met Johannes zou je als een mentorrelatie kunnen typeren, hij is docent Nederlands en heeft een tijd bij mij gewerkt. We hebben dagelijks wel mailcontact en ik geef hem adviezen. Tegelijkertijd werkte hij ook gewoon voor mij. Het is dus ook een zakelijke transactie. Er werken sowieso wel gemiddeld vijf a zes mensen voor mij. Jaarlijks gaan we samen een paar dagen weg. Zij zijn voor mij een soort familie.”

Hoe ervaar jij mentorrelaties?

“Voor mij zijn het ondankbare relaties. Ze kosten mij teveel. Als mensen na jaren weer contact zoeken omdat we elkaar hebben leren kennen via mijn werk, help ik ze. Denk ik mee. Maar als het te lang duurt wil ik verder, wil ik ze achter mij laten, op mijn weg naar nieuwe ontdekkingen.”

Je praat over deze contacten alsof het je tijd kost: jouw tijd. Kostbare tijd die af gaat van jouw levenstijd.

“Ja, dat klopt denk ik wel. Ik ben er nog niet aan toe om mijn tijd aan anderen te geven. Ik weet ook niet of dat komen gaat, het is misschien ook een vorm van je eigen eindigheid in de ogen kijken.”

Je bent ook peetvader van Mayu, is dat niet ook een mentorrelatie?

“Nee, dat is volstrekt anders. Dat kun je niet vergelijken. Daar heb ik een positie, ik ben gevraagd en heb weloverwogen ja gezegd. Daar voel ik dan ook een diepe loyaliteit. Er is vanuit mij een onvoorwaardelijk vertrouwen in hem.”

Hoe ervaar je het peetvaderschap?

“Ik schiet te kort in die relatie. Ik ben er te weinig bij hem, ik zoek te weinig het contact met hem op. We hebben een band, maar…”. Voor het eerst die avond valt Arnon stil. Hij staat op, strikt zijn veters en loopt onaangekondigd naar het toilet. Als hij terugkomt zegt hij: “Ik weet niet goed wie ik voor hem ben”, en daarmee is voor hem het onderwerp afgedaan.

Vind je ze wel belangrijk, mentorrelaties?

“Absoluut, ze zijn het weefsel van de samenleving. Ze vormen een wezenlijk onderdeel van ons beschavingsproces. De kennisoverdracht die er plaatsvindt is cruciaal. Zelf vind ik het emotionele aspect denk ik erg lastig. Ik kan mij verliezen in relaties met anderen. Daarom houd ik mensen soms liever op afstand, omdat het anders ten kostte gaat van mijn werk. Dat is voor mij een te hoge prijs.”